i88 VAN EEN TOT OVER DE OOREN VERLIEFDE
Daarenboven had ze een doddig wipneusje, een heel lieven mond en een paar handjes die____
Maar met deze lyrische beschrijving kan ik niet voortgaan. Ik begin niet alleen den kijk op deze bekoorlijkheden te verliezen: gevoel mij ten overvloede impotent om een vrouweneus, een vrouwe-mondje etc. weer te geven zóó als de jeugdige kruidenier ze zag. En met zijn, niet met mijn waarneming hebt ge te maken.
Hij geraakte verliefd, ver-woog zich, vèr-schepte .zich, liet haar overmatige stukjes kaas proeven.
Op een dag bleef ze weg.
Er was iets gebeurd. Mogelijk met de boter. .Mogelijk met de wicht.
Zij bleef weg.
Ze was ziek of haalde bij een ander.
Toen begon hij te informeeren. Eerst bij dienstmeisjes van de buurt. Die kenden haar niet. Ze woonde pas in de straat. Toen bij den kruier. Die kende haar wel. Die had is ’n pakkie voor d’r gebracht. Verder wist-ie ’t niet.
Een wéék lang bleef ze weg, kwam ’n half pond keukenzout halen — en verdik-me wéér zag je d’r niet.
Op een Zondag ontdekte hij d’r van. An ’t end van de straat woonde ze — d’r vader was veearts — heele nette menschen — van goeie kom-af — èn centen. Ze zat voor het raam in ’n blauwe blouse, achter rooie bloemetjes, bij ’n geelzijden gordijn. Ze lachte. Ze glimlachte. Ze groette. Hij voelde de keien niet (ofschoon de straat zéér slecht geplaveid was), liep als in een droom, wachtte vele dagen, vele weken. Ze blééf weg.
Hij treurde. Uiterlijk was het niet zichtbaar. Z’n roodbollig glimmend gelaat, roodbolde en glom bij de weegschaal, lustig sprak hij met de dienstmeisjes en