BAARD. 183
kon die rondsukkelen van z’n vijftig gulden in de maand met een fooi op Nieuwjaar. De leeglooper!
Maar ?t was niks vergeleken met de baard, de baard waarmee die geurde, waarover die minstens tienmaal op ’n dag sprak, die die ’s morgens ’n kwartier lang kamde en gladstreek, dien élke vrouw moest voelen. Als zij zoo is an zijn vrienden zei: voel me haar is? Wat zou hij dan zeggen? Dan zou die wel anders piepen!
Verwoed keek ze naar de klok, ongerust over z’n lang wegblijven. De societeit ging om een uur dicht. Waar zat-ie? Waar bleef-ie? Hoe schaamde die man, die getróuwde man zich niet dood, om zóó laat thuis te komen! Als ’r bij toeval nog een van de buren wakker was!
Angstig trok zij het gordijn op, net dat zij hem bij ?t licht van ’n lantaarn zag aankomen — schommelend van den stoeprand naar de huizenrij — dronken - stevig dronken. De derde maal in twee maanden ! O ! O! O!
Snauwend ontving zij hem aan de deur, scheldend, buiten haar zelve.
Hij keek haar lodderig aan, de oogranden rood, het overhemd bevuild, de das opgeschoven van het boord — de lange, mooie baard verward alsof Mj zoo uit zijn bed kwam. Op al haar snauwen ging hij niet in, bete lachend, versuft nauwlijks wetend waar hij was.
Bij het raam snikte zij het uit, wanhopig, beu van dat leven. Hij bewoog niet, zakte in slaap, het hoofd achterover op de kussens van de sofa.
Het lamplicht streelend bescheen het fraai gelaat, den grooten mannelijken neus, de matte glimming der oogleden, den weelderigen baard, die nu warde omhoog met afhangende tressen, fluweelig en soepel.