184 BAARD.
Zachtjes klonken haar snikken tot ze met bitse beweging opstond, wakker geschrikt door zijn snurken.
Jan!”
Hij lei rustig te slapen.
„Jan sta op! Ga naar je bed!”
Even flitste het wit in zijn oogen, lachte hij vadzig, toen zakte het hoofd weer, klonk harder zijn snurken.
Hij was niet wakker te maken.
Stil keek ze hem aan, met een minachting zoo groot dat zij hem had kunnen slaan. Hij walgde haar. Wat was hij zoo leelijk, afschuwelijk. Wat een vies individu. Hoe was zijn portret van tien jaar geleden dat boven zijn hoofd hing, anders, met heel andren neus, andre oogen, andrenmond! En hoe haatte zij hem nu, hoe zou ze er alles voor willen geven om van hem verlost te zijn, om hem niet meer daaglijks voor zich te zien.
Weer zat ze te schreien bij de tafel, het hoofd op de handen, vaag nadenkend, moeër wordend, öp. De lamp brandde vlak boven haar hoofd dat warm werd, bijna zakte in slaap. Dat was ’t begin, ’t Zou nog wel erger worden. Niks gaf-ie meer om haar. Niks. En zij die zooveel van hem gehouden had. Vroeger. Veel vroeger. Nou niet meer. Voor haar part kèken alle vrouwen.... Maar dat schokte haar tot nieuwe woede. Andre vrouwen! Andre vrouwen die ’m knap vonden, die met z’n baard dweepten, andre vrouwen die-die inviteerde om te voelen hoe zacht ’t haar was.
Annet nog vanmiddag. Annet die ’m zoo bewon-drend had angekeken om z’n baard. Zonder baard had-ie ’n schaapskop, ’n kalfachtig gezicht. Dat had ze opgelet als ze, toen ze nog goed met elkander leefden, gekscherend het haar wegduwde en