NACHT IN HET S ARPHATIPARK,
Zij was een oude vrouw, ver over de vijftig, vroeg oud, met grijzend haar, verrimpeld gelaat. Haar dochter, verloren gegaan, had een kind achtergelaten, het kind van een officier. De grootmoeder had het kind opgevoed, zonder veel verdriet over de dochter.
Het gebeurt zoo meer.
Zij nam verstelwerk aan, naaide bij menschen aan huis, sloeg zich er door — tot de dagen van ellende kwamen. Er was niet veel toe noodig om de kleine, zure, benauwde zorgjes in angstigen kommer te doen overgaan. Het naaiwerk hield op. De families gingen naar buiten, naar badplaatsen en bosschen. Een familie verhuisde naar een andere stad. Een andere bedankte haar.
Lang nog hield grootmoeder het vol, bracht alles wat ze had naar den lommerd, de paar meubeltjes, de kleeren.
Toen kwam de dag dat zij van haar woning af moest en geen andere woning krijgen kon, omdat zij de laatste huurquitantie niet kon vertoonen. Allemaal gewoon.
Dien dag begon zij met het kind te wandelen. Het was een aardig meisje van twaalf jaar geworden,
162