NACHT IN HET SARPHA TIP ARK.
lief, vroolijk, met levendige oogen. Zij wandelden van ’s morgens tien tot ’s middags zes, winkels bekijkend, slenterend. In het Sarphatipark rustten ze uit, aten het brood dat zij gekocht hadden. Een mooie zomeravond, wat te warm.
Er speelden kinderen in het groen en de zwanen liepen op gras, afscheurend de zomersche sprietjes. Zij hadden pas gebroed, ’t Was een lust de jonge zwaantjes te zien dribbelen naast de oude.
Het werd stil in het Park. De kinderen gingen ïieen, de zwanen zwommen kalm in den vijver.
Er kwam een wachter.
„Tijd van sluiten!”
„Is ’t al zóó laat?” zei grootmoe.
Zij nam het kind bij de hand, liep het laantje af maar den uitgang. Terwijl dacht ze na. Naar een toevluchtsoord durfde ze niet. Al was ’t winterdag zou ze niet gedurfd hebben. Waar kon ze beter blijven dan hier ? Schuw trok zij het kind mee over het grasperk, school achter een boschje tot de wachter voorbij was.
Toen liep zij het wandelpad terug, zat weer op het plaatsje van straks, met het gezicht op den vijver.
„Motte we ’r niet uit, groomoe?” vroeg het kind. „Ja — strakkies, strakkies. . .”
„En de wachter het gezeid...”
„Ach wat!”
„En as we opgeslote worde?”
„We worde niet opgeslote...”
Zij zaten dicht bij elkaar, de grijze grootmoeder, het kind. Schemering kroop over de daken, zwarter werden de toppen der boomen. Buiten de hekken klonk het geraas van karren, het stemmengerucht van menschen en kinderen.
De vijver, bleeker van waterglans, kromde tus-