158 HET TESTAMENT
Teun. Bliksems! Bliksems!
Jaap... En wie mot 9r gaan legge ?
K e e s... Jij natuurlijk... Jij spreekt krek as vader...
(Een stilte. Zij kijken elkaar aan. Teun smijt de bedsteedeuren toe, zet er een stoel voor).
Teun. Die inval is niet stom. Daar kraait geen haan na. Maar hóe motten we verdeelen ? An jullie Jiongerlijers komt niks toe.
K e e s. As je zoo begint, man — gebeurt ’r heele-maal niks. Neem jij en Klaar ’t huis, de erf en de koeien — geef ons ’t land. Dan trekken jullie 't meeste voordeel.
Klaar. — Dat zou je willen. Jullie 't land! Nee daar tree ik niet in.
Griet. Geef ons dan 9t huis en de erf.
Kees. Laten we geen tijd verdoen met klessen. Griet ga jij den notaris waarschouwen. Dan zullen wij vier terwijl netjes de boel regelen. Je zegt ’m niks anders dan dat vader op sterven leit en dat-ie dadelijk met de getuigen mot kommen. Vort meid!
Teun... Ik heb ’r niks tegen dat jullie ’t land neemt, maar ’t hooi en de opstand is voor óns..,
Kees... Dat vinden we wel. Ga nou is rustig zitten. Dan praten we er over.
II.
(Verschijnen de notaris, twee klerken en Griet. In de rechterbedstee ligt Jaap, de slaapmuts diep over de oogen. De anderen zuchten en huilen).
Notaris {bij de bedstee). Wel, wel boer Bas — ben je er zóó naar aan toe. —■ Wel, wel man wat ga je beginnen.
Jaap (jkreunend}. 't Loopt af mijneer.... me hart... me hart...
Notaris... En wou je je testament maken ?