154 VERLIEFDEN ETEN
de spiegels keek raakte je van de wereld af, kreeg" je de extase van Louis Couperus. Overal haar blonde haren, haar handen met gebakjes, haar kuiltjes, haar blauw japonnetje, haar wit voorschoot, haar bloedkoralen bellen, haar ringen. Je kon ’r rustig bij gaan zitten. Zoover je maar zien konr. zag je ’t snoes-van-’n-kopje tusschen de soezen, tulbanden, roomhoorns, mokkagebakjes, roomsprit-sen, amandelkoekjes, Weener taartjes en bollen.
Met gespannen kalveroogen zat de scholier, het ledig bord in de handen. En weder schokte hij op, daar ze toevallig naar zijn zijde gekeken had. Dezelfde malle, niet uit te schreeuwen gêne overviel hem.
Het werd een reflex die hem naar de broodjes hitste, gelijk je je hand wegtrekt van ’n heet ijzer. Nog eens kocht hij een broodje, at, at langzaam, voortdurend droomend in het glanzend spiegelpaleis. waarin zij tusschen zoetigheden bewoog.
Lang bleef hij eten, bang voor ’t malle figuur als-ie niét voorzien was. Zelfs werd-ie dapper na een paar dozijn broodjes. Er waren heeren binnengekomen en die aten gebakjes, ’t Was dus zoo gek niet as je snoepte. Schuchter drentelde hij voor de toonbank. Ze lachte. Waarom lachte ze? Als ze nog ééns lachte, snee-ie er tusschen uit. Maar ze lachte niet meer.
„Juffrouw...”
„Ja, meneer?...”
„Geef u mij 9r zoo een ...”
„Een met room?”
„Asjeblief...”
Ze prikte de soes, lei haar op een bordje, zich verwonderend over den buitengewonen eetlust van den snorloozen jongeling. Zeker in geen dagen gegeten.