VERLIEFDEN E TEN. 151
broken op debatingclubjes. In redeneeren over zulke diepgaande onderwerpen was hij een piet. Om twaalf uur dejeuneerde hij in een melkinrichting. Daar vouwde hij ’t papier open met zes boterhammen met geraspte kaas, betaalde vijf cent voor een glas melk en keek terwijl z’n jaartallen van de geschiedenis of het soortelijk gewicht van koper en zink nog eens na — voor de lessen van den middag.
Hij droeg een net puntboordje, ’n colbert en ’n lange broek, daar hij achttien was en reeds rooken mocht. Z’n pa en ma leefden buiten de stad, zoo-dat-ie op kamers woonde als ’n heüsch student. Ook maakte hij gedichten. Dit kalm leven — in zoover gedichtenmaken kalm kan zijn — werd evenwel verstoord door de opening van een nieuwen winkel in de Kalverstraat, de „Lunchroom.” Op een dag, op het punt naar de Melkinrichting te gaan, stond mijn scholier stil voor de étalage van broodjes, las de prijslijst en z’n schuchterheid overwinnend stapte hij binnen, kocht bij een der juffrouwen een kop koffie, bij een ander een broodje met kaas. Hij had z’n boterhammen vergeten. Stil in een hoekje bij het buffet stond hij kleine hapjes te kauwen, de schoolboeken in de eene, het broodje in de andere hand. En in dat eigenste uur werd-ie verliefd. Met bewonderende kalfsoogjes keek-ie naar haar oogen, haar blond haar, haar kuiltjes, haar ijverige handen, die gebakjes opprikten voor etende dames en heeren. Keek ze naar hem — wat zij, vermeen ik werktuigelijk deed — dan sloeg-ie bloo en bescheiden z’n oogen neer naar ’t uitgeknabbeld broodje met kaas. Toen ’t op was, bleef-ie glimlacherend aarzelen, ’t Stond zoo gek voor ’n jongen om taartjes te eten. Net of je snóèpte en van zoet hield, zooals de meisjes. Nee hij zou een glas bier nemen. Verlegen,