150 VERLIEFDEN ETEN
en lentebloesemgeval niet uit mijn duim. Getrouw zal ik u mijne waarneming verhalen. Wel loop ik het gevaar reclame te maken voor een schoone instelling, maar de lezers zullen, gewend als zij zijn aan mijne strikte eerlijkheid — deze tint der historie laten voor wat zij is.
* *
*
Zij was blond met een aankomend mopneusje, witte tanden, pitten in de wangen, blauwe oogen (mogelijk grijs) en de haren (blond als gezeid) kartelend gebrand alsof ze lustig geklutst waren in een ommeletpan. Ik weet wel dat dit beeld in de eerste plaats onaesthetisch, in de tweede onjuist is, maar als je een vrouw objectief wenscht te beschrijven, dat wil zeggen zonder persoonlijke aangedaan-heid, onderga je geenszins de luciede momenten van opgang in dichterlijke vergelijkingen welke je in een subjectief geval zoo makkelijk als smeltende boter tot de juiste expressie van je sentimenten brengen. Zij was dus zaaklijk herhaald: blond, met een mopneusje, witte tanden, pitten in de wangen en niet te groot.
Hij — ach schaap, ’t leven moest nog voor hem beginnen — ’n hoogerburgerscholier 5 de klasse, ook blond, ook met ’n mopneus, helaas zonder snor, ofschoon eenig geplukt-kippedons de officiëele snorplek aangaf. In hart en voorkomen was hij beminnelijk-schuchter, bezat hij iets van de teere onwerkelijkheid gelijk Henri Borrel — zegge Borrel — in z’n jongetje teekent. Tot voor eenige maanden leefde hij zijn leven onbewogen bij planimetrie en bloemlezingen. De knikkertijd was lang voorbij, die voor geleerde gesprekken over het wezen of niet wezen van God en de ziel aange