142 triestig dagje.
Je dacht jong te zijn, levensfuttig, maar an ’n spiegel wende je.
Je spiegel kon je niks meer zeggen. ’n Spiegel liegt dagelijks, elk uur, omdat je je gezicht zoo onthoudt, zoo precies weet hóe ’t V uitziet, waar de haren staan, waar de lijnen, waar de oogen, waar de neus, waar de mond.
’n Spiegel kón je niet zeggen of je jeugd heenging. f
Je ouwe portretten daar lachte je om. O jee, je óüwe portretten, je portret als ’n kindje op den schoot van je moeder, je portret later — mager — bleek — met schaapachtige oogen — je portret dat je niet herkende, waarin geen gelijkenis zat.
Maar zoo een dagje over — en denken an je kamer van voor jaren, je kamer met z’n jongensge-heimenissen — kijken naar de gracht met de huizen, ^t water, de brug — en je vroegere kennissen — allemaal oud geworden, baardig, verfletst, — en de voorbijgangers — de een getrouwd, met ’n kind, de ander nog-altijd-in-leven — nog altijd-in-leven — hoe leefde zoo’n man zóó lang? — waar haalde-ie de opgewektheid vandaan? — zoo één dagje loog niet — zoo één dag bedroog niet — zoo één dag zei vinnig-helder dat ’t opschoot — hét — hét — zoo één dag deed je je eigen zien, eindelijk zien, grover, scherper, harder, oüwer — zoo één dag gaf je een schrik alsof je lang in doezel gezeten had en ’n blauwe bliksemflits je gelaat plots weerkaatste in een vreemden spiegel, waarin je nog nooit gekeken had.