DINGEN DIE GEB E UREN 121
„Hij het wel is zwaarder vrachies getrokken,” antwoordde hij: „as me wagen half leeg is, zit ik ’r zeli op. ’t Is ’n taaie — sterk as ’n paard. ...”
De hond trok stevig — de man hield alleen maar z’n hand op den duwboom.
Een heftige rukwind joeg ons den regen in ’t gezicht — ’t hoofd buigend zwegen we.
„Rij je naar Diemen ” informeerde ik.
„Nee. Zóó ver mot ’k niet wezen” . . .
Hij stuurde den wagen den zijweg in langs de Nieuwe Begraafplaats.
Ik liep mee. ’k Kon wel de Weesperzij om naar huis teruggaan. De wind stond hier minder scherp.
„Nee” — begon hij weer? „ik mot niet naar Diemen. ’k Hoor in Amsterdam thuis” .. .
„O zoo” ...
„’k Heb ’n karrewei op de begraafplaats” . . .
„Zoo,” zei ik — half-luistrend.
„Me jongste is gestorven” . . .
„Zoo,” herhaalde ik, aandachtiger.
„Ja — ja,” knikte hij, pruimsap spuwend over den rand van den wagen: „’k Heb ’r acht” .. .
„Acht kinderen?” . . .
„Acht — Gister negen.”
„Da’s ’n boel,” zei ik hem aanziend —met groot meegevoel.
„Ja — ja,” zei hij weer.
Er was niets sentimenteels tusschen ons. Ik houd niet van Jan-van-Beers-achtige sentimenten. Die benauwdharde dingen slaan me alleen met een vijandig onmachtsgevoel. Ik denk bij zulke gelegenheden ....
Maar daarover praat ik hier niet. Nutteloos.
We liepen weer even zwijgend.
Hij zette den hond aan, spuwde.
„Ik ben niét in ’n bos,” zei hij op eens weer.