120 DINGEN DIE GEBEUREN
den geringsten lust jullie de impressie op te dringen van een ouden gebogen man achter een wagen op den Diemerweg.
Zoowaar het laatste had ik bijna vergeten: we liepen op den Diemerweg.
Zijn wagen nog. Er lag een zeil over.
Onder het zeil, telkens opgewipt door den wind, lagen vaatjes, rommel en een sinaasappelkist.
„Een koopman die de boerderijen afloopt,” meende ik, hield gelijken tred met hem.
Er was niemand anders op den weg. Ook op de boerenerven zag je geen sterveling.
Na een poos keerde hij zich om. Ik zag hem in het gelaat, verweerd, doorrimpeld. Een roode zakdoek hing om den hals. Straaltjes zwartig nat rig-gelden van onder de pet over z’n voorhoofd en slapen.
„Weet u ook precies hoe laat is?” vroeg hij.
Ik taxeerde het uur.
.„Kwart voor tien.”
.„Dank u.”
Hij draaide zich af — ik zag opnieuw den gebogen rug, de grijze haren, de afgetrapte modderige broek.
Achter ons klonk het raatlen van wielen, 't geklepper van paardenhoeven.
Een begrafenisstoet reed naar Muiderberg — eerst de gesloten koets met het lijk, toen vier volgkoetsen. Het slijk scheerde weg door de wielen, bespette ons beiden.
„Mooi zoo,” zei ik.
„Toe maar,” zei hij.
En naast elkander loopend praatten wij over ’t weer.
„Beestig,” zei hij.
„Nou!” zei ik.
„’n Heele vracht voor je hond” — ik weer, op den handwagen wijzend.