102 CHARMANTE DOKTER.
Jullie begrijpt: we verveelden ons stierlijk, ’t meest nog mijn vrouw. Ik was eiken dag uren afwezig. Dan was zij aan haar lot overgelaten met een boerenmeid. Op den duur hou je dat niet uit, We probeerden een praatje te maken met den bakker — specialiteit in meel en krijt — doch dezelve werd uitsluitend mensch als men hem over cadetjes, roggemik en mest (hij hield er twee koeien op na) sprak. Evenzoo trachtten wij relaties aan te knoopen met den kruidenier. De relatie duurde een dag. Hij deed te weinig petroleum in de kan, zag halve ponden voor heele aan. Kortom, werd te familiaar. Mijn vrouw beminde hem niet. Toen waren wij uitgepraat. Er was wel een kerk, maar de dominee woonde in de „stad”, kwam alleen ’s Zondags den dienst waarnemen. De boeren beschouwden ons als indringers, liepen met vijandige gezichten voorbij onze ramen en na donker hadden de boerenkinderen er veel pleizier in beldeurtje te spelen en minder-smakelijke dingen tegen de deur te werpen.
Jullie zult snappen dat het leventje in die negerij allerbeminnelijkst was. Marie, mijn vrouw, klaagde steen en been, ik klaagde been en steen (flauwe mop — die krijg je toe!) — maar de zaken! Wij dienden het in gelatenheid te dragen.
Toen — tot onze vreugde werd mijn vrouw een weinig onwel. Tot onze vreugde. De ongesteldheid had een onbeteekenend karakter: hoofdpijn, lusteloosheid. Anders niet. In ons prachtig Amsterdam neem je van zulke bobo’s geen notitie. In de negerij was je blij den „dokter” uit de „stad” te kunnen laten komen. De vrachtrijder bestelde hem. Hij kwam. Gebeurtenis in ons leven!
Ik zal je een kleine beschrijving van den waar-digen man geven. Hij was een heer in optima for-