98 BASJE.
Maar toen Nachtegaal ook de vierde en vijfde maand geëngageerd werd, verloor Basje zijn geduld. In de stemkamer schold hij op den komiek. De andere muzikanten lachten hem uit. Of je nou die of die begeleiden moest: wat dee ’t ’r toe, als je je cénten maar kreeg! Nou, dat moesten ze hém zeggen. Hij maakte d e g e 1 ij k onderscheid. Als-ie ’t ritournel van Nachtegaal hoorde, werd-ie kwaadaardig. Weer die prulkerel! Weer dezelfde moppen van vijf maanden lang. En dat vervloekte publiek! Een avond waren ze verstandig geweest. Toen had je studenten in de zaal gehad en die hadden meegeschreeuwd en gefloten nét zoo lang tot de kerel weg was. Hè, wat ’n pleizier! Achter zijn bas had-ie gegnuifd. Hét begon. Hij had gelijk. Maar den volgenden avond was alles weer bij *t oude, zong Nachtegaal, applaudisseerde de zaal, streek Basje....
Eindelijk werd het hem te machtig. Eens bij een rustpunt op het tooneel en een zacht spelen der violen, geeuwde hij hardop .... hoho !. ... Er keken een paar menschen in de voorste rijen naar Basje — en die lachten. Nachtegaal beklaagde zich bij den directeur. %
Basje werd berispt. Basje geeuwde niet meer, maar eiken avond had hij nu iets anders. Dan vroeg hij hardop: „Mooi hè? Mooi hè?” — dan gromde hij zóó dat de menschen dichtbij het verstaan konden: „Daar lachen ze om, die ongelukken!" Het ritournel maakte hem korzelig, zenuwachtig. Over de honderd vijftig maal te moeten hooren over de kieswet, over de vrije vrouwen, over Atjeh, over de nieuwe Beurs, over margarine — daar raakte je ondersteboven van! Bah! Bah! En opnieuw trok hij malle gezichten, bromde, haalde de schouders op....