WANHOOP.
en in den oven zetten, ’t Was om razend te worden.
„Scheren mijneer?”
„Ja, scheer me vlug, éénmaal” ...
De kwast zeepte het klantengelaat en met een zeldzame vlugheid gleed het mes op en neer. Niemand in de heele stad kon zoo vlug en zeker halen als hij. Terwijl sprak hij opgewekt. De visch bleef warm. Je raakte aan alles gewend.
Maar het scheelde weinig of hij snèed.
De deur zei opnieuw en hard: pien.
Er kwam een dame binnen met twee allerliefste jongetjes.
„Dag meneer” ...
„Dag mevrouw” . ..
„Ik wou ze allebei geknipt hebben, meneer, ’t Is vandaag niet zoo koud, nietwaar?” ...
„Best mevrouw” . . .
Met een bovenmenschelijke berusting poederde hij den mijnheer, tilde een der knaapjes op, knoopte den doek om en knipte.
„Niet te kort mijneer” ...
„Nee, nee mevrouw” ...
Frits die niks meer te doen had, stond in een hoek te lummelen.
„Kom — begin j ij vast an den anderen jongeheer” — zei Jonathan kribbig: „dan werk ik wel bij”... ^
„O nee mijneer,” protesteerde de dame: „dat heb ’k liever niet. Die jongens zijn zoo onvoorzichtig.” ...
„Net zooals u wil, mevrouw” . . .
De schaar knepperde woest. Je hoorde slaagjes alsof ’r gehamerd werd.
Frits geeuwde.
„Vooruit! Allo! Sta niet te luieren!” gromde Jonathan’: „ga jij vast éten!” . ..