9 % WANHOOP.
„Morgen.”...
„Morgen.”....
Jonathan werd bleek.
„Wil meneer door Frits geholpen worden?” vroeg liij aarzlend: „’t duurt nog een heele poos!” ...
„Ja, laat Frits ’t eens probeeren.”...
Dat viel mee. Levenslustiger zette Jonathan zijn mes aan, begon den mijnheer te scheren.
„Je mes trekt” ....
„Trekt ’t mes?” Wel! Hé!”
En opnieuw zette Jonathan het aan, warmde het in den ketel, schoor voorzichtig en netjes zooals hij het alleen kon.
Afgeloopen.
De meneer wiesch zich. De meneer liet zich wat vinaigre geven. De meneer vertrok.
Geen seconde later zat Jonathan voor de tafel. Er kleefden wat haartjes van den meneer op zijn handen. Zóó precies keek hij niet.
Marie, blij dat-ie terug was, schepte de visch op. Die stoomde met lustige poffen. En de aardappels ^agen er blommig uit. Prachtig!
Vlug nam hij een moot op zijn bord, mengde de mosterd met de botersaus, brokte een aardappel.
Pien.
„Wel vervloekt!” snauwde Jonathan.
En weer klonk gesprek in den winkel.
„Is je patroon ’r niet?”
„Nee—me patroon” ...
Nou was ’t te laat. De klant, die onder het mes :zat wist dat de patroon wèl thuis was.
Grimmig slikte Jonathan een hap, smeet de kamerdeur open.
„Morgen meneer” ...
„Morgen” ...
In de kamer hoorde hij Marie het bord opnemen