De toestanden en gebeurtenissen in Nederland, boven de groote rivieren, hebben zich, nadat ik in September 1944 dit werkje voltooide, dermate in tragischen zin ontwikkeld, dat ik me meerdere malen afvroeg: heeft het nog wel zin een en ander te publiceeren?
Meerdere malen stond ik op het punt het manuscript te vernietigen en het papier te bezigen als brandstof voor de, inmiddels op het tooneel verschenen, noodkachel.
Want wat na September 1944 het geheele Neder-landsche Volk doorstond, zal wel geboekstaafd worden als de meest dramatische episode uit zijn vaderlandsche geschiedenis.
Systematische uithongering, deportaties op geweldige schaal, menschenklop jacht, moord en plundering waren aan de orde van den dag. Heeft nu de behandeling van de materie, in voorgaande hoofdstukken vervat, zijn zin verloren? Verbleekt het niet in den gloed, die ook over millioenen niet-Joodsche Nederlanders kwam? Waarom dan speciaal de aandacht gevraagd voor hetgeen de Joodsche Nederlander ondervond? Heeft al wat met hen geschiedde niet aan actualiteit ingeboet? Ik heb de moed deze vragen met een beslist neen te beantwoorden. Men mag juist
101