golfkapsels vroegen: „Permanent Dame,
watergolf Dame?” Voor de spiegels zaten rudimenten van vrouwen- en meisjeshoofden zich met die waanzinnige aandacht te bekijken, die men denkelijk alleen in zenuwinrichtingen en krankzinnigengestichten zal aan treffen.
De kapper zelf keek met zijn gloeiende donkere opera-oogen onder de zwarte kunstenaarslok eerst beleefd langs me heen om direct daarna iemand in een spiegel antwoord te geven. „Nekharen nog een beetje wegscheren?”, vroeg hij onverschillig en hij stofte de dame, die weer heelemaal tot volle schoonheid en krullen ontplooid was, af als een beter soort vaas. Na enkele vreeselijke schroef-achtige knippen en brandapparaten bij een volkomen bewegingslooze verschijning opnieuw geordend te hebben, bleef hij peinzend voor een der schilderijen staan, waar de kapperssalon kwistig mee behangen was. Er hing van alles: bananen, witte schalen met tomaten, brooden met messen en haringen, maar nergens trof me de charme van dat vergeten plekje met de verteekende boomen. Ik vroeg: „Heeft u dat schilderij in de etalage gemaakt?” Duidelijk rook ik, dat er bij de dame onder het folterwerktuig iets verkeerd ging,