taal poogde in te dringen: „Ik eb, joe ebt, hie eeft”, prevelde hij hartstochtelijk het ons zoo eenvoudig lijkende werkwoord „hebben" voor zich heen. Wij, ik bedoel de groenachtige schimmen, hadden onze couranten en boeken mismoedig achteloos naast ons en op den grond laten glippen. Onze gedachten waren immers in het eentonige treinrythme rat-tat-tat zoek geraakt; we zouden ze later wel ergens weer opscharrelen. Wij hadden blauw-roode neuzen, en het genadelooze, nuchtere spoorweg-lampje onthulde zelfs bij de jongsten onder ons reeds onbarmhartig de groefjes en rimpeltjes, waar men langzamerhand zoo zielig aan wennen moet.
De neger had uit den aard der zaak geen rooden neus, en de breede, eenvoudige vlakten van zijn gelaat waren volkomen glad en gaaf — leeftijdloos. Er bevonden zich onder mijn medereizigers bakvisschen en jongelingen — zoo slap en stompzinnig hingen ze op hun plaatsen, dat zij 75 jaar schenen vergeleken met den zoon der tropen, „De tuin van mijn vader is grooter dan die van uw oom”, verklaarde deze verrukt op zelfs phonetisch niet uit te leggen manier.
Wij naderden het doel onzer reis. Slaperig, gapend en lamlendig zochten wij ons hebben