„ONDERGANG VAN HET AVONDLAND”.
Ik weet niet, waar die neger de gemoedsrust en frischheid vandaan haalde, om in den laatsten trein ijverig zich zelf een les te over-hooren. Nog minder begrijp ik de ongerepte verzorgdheid, die zijn uiterlijk nog op dat namiddernachtelijk uur kenmerkte.
Er bestaat misschien geen onflattanter en wreeder verlichting dan het kale electrische peertje in een spoorwegcoupé. Wanneer men hier eenige graden onder nul bijvoegt, die nochtans gepaard gaan met een benauwde atmosfeer, blijft er van onze verschijning en die onzer medemenschen niet veel meer over. Trouwens, ons uiterlijk kan ons op dat illusie-looze uur onder het grimmige lichtje niet bijzonder veel schelen. Men ondergaat wel vaag een voorstelling van groenachtige gebarsten oude spiegels, waar ons onbekende levensmoede schimmen in weerkaatst worden, maar men geeft zich niet zoo zeer rekenschap ervan, dat deze fantomen onze medereizigers zijn.