zoon klein misselijk reizigertje, zoon slaafie, echt zoo'n slaafie.” „En toch behoeft men geen slaaf te zijn, als men werkt,” verdedigde beslist en ernstig de Groningsche heer de waardigheid van den arbeid. „Ik heb altijd met plezier gewerkt. Ik vind 't eigenlijk geen leven meer met dat pensioen," aldus zijn eigen thema weer opvattend. „Vroeger had je je bestemming, je deed je plicht, 's avonds was je prettig moe, je had je krantje en je kopje thee, en je wist dat je ergens toe diende. — Maar nu, die ochtenden, die ochtenden,” zei hij weer met een zware zucht, „je staat om zeven uur op, acht uur ontbijt en wat dan? Dan blijft zoon ochtend je zoo aankijken, tot je dan eindelijk de middag haalt — de soos is wel aardig."
Ik opperde de instelling van een ochtend-soos, maar zoo iets scheen volgens bepaalde wetten en statuten niet mogelijk te zijn, „alleen maar ’s middags soos, begrijpt u dame, alleen maar in den middag," mediteerde de vereenzaamde vaor zich heen.
Het voorstel’ om den dag wat later dan zeven uur te beginnen, schoof hij lusteloos van zich af: „Vroeger altijd om zes uur opgestaan, mijn heele leven lang, dame, kan 't niet langer in bed uithouden."