had willen deugen" — de oom, die wel prachtig voordragen en goochelen en dansen kon, maar trots of misschien juist door deze schitterende hoedanigheden steeds door het leven „in het laatste koetsje" werd geplaatst. Hij toonde zich echter niet ontevreden met zijn bescheiden plaats, de mislukte oom. Men zag het hem aan: voor geen goud had hij willen ruilen met den plechtigen, versteenden bruidegom, die den stoet in bleeke waardigheid opende. Hem leek het veel gemakkelijker geen eerzucht te bezitten en maar liever de oom te blijven, „die nooit deugen wilde”. Ja, die dwaze oom was een wijs man: op hem lette men niet, van hem verwachtte men geenszins ernstige prestaties en daarom mocht hij ongestoord de knapste nichtjes vaderlijk kussen, de beste sigaren inpikken en andere kleine geneugten op de tafel des levens stiekum genieten,
De bruidegom in het eerste rijtuig begon zich in z'n gekleede jas hoe langer hoe benauwder te voelen — hij memoreerde reeds den moeilijken feestspeesch, dien hij straks houden moest —, terwijl de luchtige oom in de laatste koets reeds in hemdsmouwen zat en behagelijk een nieuw sigaartje opstak ....