de hoofdpersonen in het eerste rijtuig; ze voelden zich kennelijk onbehagelijk voorwerpen der publieke belangstelling te zijn. Niettegenstaande alles ter hunner eer in 't werk gezet werd: opzichtige boeketjes overal aan de koets en zelfs aan het tuig der paarden en in de knoopsgaten der palfreniers, in hardrose gedoste bruidsmeisjes, een schitterende stoet volgrijtuigen met liefhebbende familieleden — niettegenstaande dus zich alles samengevoegd had om het bruidspaar een onvergetelijken dag te bezorgen, verspreidde het eerste rijtuig geen vreugde of feestroes.
Misschien was aan dezen dag een stormachtige verliefde minnetijd voorafgegaan; wellicht luidde hij jaren van hecht en warm echtelijk geluk in; waarschijnlijk had men er vuriglijk naar verlangd als naar het gelukzalige hoogtepunt aller liefdesdroomen — van dit alles was echter in houding en gelaatsuitdrukking der pas getrouwden niets te bespeuren. Op standbeelden leken ze, op verstarde, belachelijk stijve poppen temidden van wassen bloemen. Verondersteld mag worden, dat de bruid mooi en jong, de bruidegom geestig en knap was. Men kon het echter niet zien: als wezenlooze schimmen prijkten ze