wraakzuchtige vrouw met de vele pakken. „Eigenlijk is het een afgodisch voorwerp voor een orthodox protestantsch mensch,” zegt ze afwijzend, „maar voor een kind kan 't geen kwaad. Het kind is in haar onnoozelheid blij met de bontkleurige Heilige Penning.
Er komen hier nog niet eens menschen van ƒ 1.95 aan de havenkant — deze menschen hebben geen prijs — de keien zijn trouwens voor hooge hakjes onbegaanbaar en de modieuze costuums „doen” beter in de winkelstraten; daar kan men de prijzen vergelijken met de elegante poppen in de winkel-etalages.
Hier is het drabbige water en de dichte . grijze nevel — er spoelt rommel en wrakhout aan — en menschen. Men ziet ze bijna niet meer, de nevel is heelemaal dicht geworden en in die nevel is iemand die op zijn einde wacht met oogen zoo blauw als de zomerhemel, een vrouw die denkelijk wel onwijs is, maar die eens een koninklijk gelaat had en heel ver al het hooge vogelstemmetje van het kind — het kind met de bonte Heilige Penning. Hier zijn de onnoozelen en een-voudigen van geest — hier aan de kade bij de scheepsmasten en de eerlijke verrukkelijke geur van roet en teer en mist.