hopig tegen, „en geld hebben we geen van beiden en mijn eenige goeie zwarte japon is kapot onder de armen; alle lappen die je er op zet, slijten er direct van af," „Jamaar, de huzaar is tenminste zwart en jij ook," wees Nini met beslistheid mijn tegenwerping af, „en die japon zal ik voor je naaien." Nini was 17 jaar, blond, beeldschoon en danseres — ze kon wel drie dansen, ze zag er uit als een 14-jarige en soms hield ze er ook energie en ambitie op na; maar haar vrienden waren verschrikkelijk: nette dikke zakenmannen wisselden af met bleeke poenige lummels — de zakenlieden leverden dan het „materieele", terwijl de lummels iets met een soort van „liefde” te maken hadden. Die zwarte jurk van me werd dien avond werkelijk een beetje toonbaar; ik hoefde niet meer krampachtig mijn armen tegen mijn lijf te drukken; bliksemsnel had Nini een reep van haar zwart zijden hemd afgescheurd — het was hetzelfde soort dunne zijde van de jurk, en aldoor pratend en biddend en smeekend om met haar mee te gaan, naaide ze het geval wel netjes aan elkaar. „En je wilt toch niet ibbel worden van de Biersuppe," zei ze in haar artisten-jargon, „de Zwarte Huzaar geeft je nog de kans op een eetbaar maal," Duidelijk hoorbaar stemde