soort mensche is dat allemaal niet zoo erg," zegt hij onsamenhangend, „maar wat begint u nou? — ons soort mensche behelpt zich nou eenmaal, maar wat mot u nou ete vanavond en hoe mot het met het licht? „Groote God — alsof het voor hem er niet op aan komt; hij maakt zich werkelijk ongerust over me, Karei, en is zelf arm met een ziekelijke vrouw en kinderen, die ook niet sterk zijn, en heeft nooit iets gehad — nooit. Ik heb van alles gehad, in overvloed — te veel bijna. Diners aan boord, waar geen eind aan kwam met een menu om in een lijst te zetten en een ontbijt, waar men drie gezinnen mee in het leven kan houden een week lang. En het Hradschin heb ik gehad met de Kleinseite, het Louvre, het Luxembourg en de Tuilerieën, den Schotten-ring en alle goede Breughels in Weenen en de Albertina, waar je de verrukkelijkste teekeningen zoo maar in mappen in handen krijgt. Op den „Ananasberg" in den Hofgarten van Düsseldorf heb ik rhijnwijn gedronken toen ik 20 jaar was met iemand, die 23 was en een „Künstler" nog erbij — en met Carnaval speelden de Zigeuners voor ons — voor ons alleen.... Eens ben ik in een Meimaand op een kasteel in Gelderland aangekomen — 's avonds. Alles geurde naar Lente, de