voor z'n beroerigheid en zijn ellendig verzopen Zondagje: „O-o-o-o, oho,” loeide hij met hoonende sirene uithalen — „dat gemeente-personeel — wat is het toch fuil en gemeen — wat voor een gluiperds en keleerelijjers binne het...— „Ga maar door, vader," ried met waarlijk beminnelijke lijdzaamheid de kuierende agent, „slaap es lekker uit.” Hierop had nu de Zondagsfuiver gewacht. Hij bauwde den agent op onnatuurlijk tergenden toon na en herhaalde in wilde bezetenheid alles, wat nu reeds uit den treure over gemeentepersoneel, de onbekende keleerekwaal en booze apocalyptische vervloekingen verteld is geworden. De agent had met kuieren opgehouden en zijn pupillen werden allengs grooter en ronder; met een onrustigen blik naar beneden toe. Plotseling schoot de agentenarm uit als de tong van een reusachtig kameleon, en het einde ervan haakte zich ergens vast tusschen kraag en zielig nekje.
Het mannetje liet zich wegbrengen — gedwee stil en volkomen tevreden gesteld nu...