als een dooie kip, maar toch mooi. — En de andere goosers maken lolletjes en blazen rook in je oogen en ineens zijn het geen lolletjes meer, en het kippetje heet Ria en zegt: „Jullie zijn me veels te min," en staat op en smeert 'em, En één zit er vuil bij te grinniken en is tramconducteur — zoo'n sloome duikelaar, zoo'n gemeen stuk gemeente-personeel.... Tien Catsjes en 2 rondjes en 3 Voorburgjes voor Ria. Ria is weg. — En ineens, met gebalde vuisten, staat men tegenover elkaar — de conducteur en jezelf. Glaassies rinkelen van de tafel, die je ook betalen mot, en het leven is een rotleven. Er is geen vriendschap en geen lol; alles Vuiligheid, alleen maar vuiligheid ....
Dit moet uitgebruld worden, anders krijgt men een barsting. — Maar aanwezig zijn alleen maar de maan en het asphalt en een lantaarn. De maan heeft ook een pestponum vanavond — zoo bleek als de dood. En toch lekker schreeuwen en tieren en razen — ook al hoort geen mensch het. In de tram zat niemand; leeg, traag en zeurig sukkelde ze voorbij — alleen met een conducteur bemand. Het mannetje met de luchtledige schouders juichte van haat, en enkele door den Zondag beschimmelde lieden bleven nieuwsgierig en