rug sijpelden, brachten me tot de werkelijkheid terug. „U heeft talent," zei ik met volle overtuiging, „zoo iets goeds heb ik in lang niet gezien, zoo iets echts vooral.”
Toen klonk de gil — er gebeurde iets met een contact en het rook scherp naar verbrand haar en rubber.
Een der beeldschoone dochters van den kapper kwam op me toe, bleek zelfs onder de schmink en fluisterde me trillend van narigheid in: „Spreekt u om Godswil niet met Pa over kunst, dat is nu de tweede klant in éen middag, komt u dan eens 's avonds op de thee." Ze spoelde mijn haar onvoldoende uit en gaf me een vluchtige, behandeling met de föhn, terwijl haar kunstzinnige vader met watten, vaseline en technische moeilijkheden de handen vol had.
De permanent-patient scheen in bewuste-loozen toestand te verkeeren, want ik hoorde verder niets.
„Artistenprijs," zei de kapper, toen ik betalen wilde — „een kwartje, wij zijn artisten onder elkaar." Ik zou haast over die teeke-ning met de wurmen-pullover onderhandeld hebben — ik had er echt iets bijzonders mee ontdekt. Maar de dochters stoften me zoo bliksemsvlug af en hielpen me zoo snel in mijn