der mijn medereizigers bakvissen en jongelingen - zo slap en stompzinnig hingen ze op hun plaatsen, dat zij vijfenzeventig jaar schenen vergeleken met de zoon der tropen. ‘De tuin van mijn vader is groter dan die van uw oom,’ verklaarde deze verrukt op zelfs fonetisch niet uit te leggen manier.
Wij naderden het doel onzer reis. Slaperig, gapend en lamlendig zochten wij ons hebben en houden bij elkaar. De neger nam een schone, zich in de vouwen bevindende zakdoek en wreef met losse, katachtige bewegingen zijn op zichzelf reeds onberispelijke schoenen nog glimmen-der. Daarna maakte hij stralend glimlachend zijn rosé nagels schoon met behulp van z’n spoorkaartje.
En terwijl wij als een haveloze, verfomfaaide bende geradbraakt naar huis slopen, stapte hij veerkrachtig en zacht fluitend de nachtelijke stad in - de erfgenaam onzer ten dode opgeschreven westerse beschaving ...
204