Het eerste rijtuig verspreidde wel pracht en praal, ja, was waarlijk vorstelijk te noemen met de extra palfrenier op de bok, maar er ging geen vreugde of feestelijke uitgelatenheid van uit. Weliswaar pronkte de bruid in witglanzende zijde en de bruidegom was niet minder indrukwekkend in z’n geklede jas, doch beiden keken ietwat bleek en star, klaarblijkelijk niet helemaal in hun schik met de plechtige rol, die men hun toegewezen had.
Want gespeeld werd er: hoofd- en bijrollen waren gelijkelijk en met tact verdeeld bij de opvoering van de dwaas-ernstige komedie, ‘huwelijksdag’ genaamd. Hoofdrollen verplichten tot waardigheid en vereisen verantwoordelijkheidsgevoel; ze zijn zeer eervol, maar verlangen uiterste zelfbeheersing; aller ogen immers zijn op hen gericht, zodat de drager van zulk een waardigheid onder omstandigheden aan het allergeringste bijrolletje graag de voorkeur zou willen geven.
In dergelijke omstandigheden verkeerden de hoofdpersonen in het eerste rijtuig; ze voelden zich kennelijk onbehaaglijk voorwerpen der publieke belangstelling te zijn. Niettegenstaande alles te hunner eer in ’t werk gesteld werd: opzichtige boeketjes overal aan de koets en zelfs aan het tuig der paarden en in de knoopsgaten der palfreniers, in hardrose gedoste bruidsmeisjes, een schitte
199