ning. ‘Hei je tenminste je cente nog in je zak gehouwe?’ ‘Mijn centen?’ vraag ik suf, nog wat licht in het hoofd door de wijn na al die emoties. ‘Ja, de huur voor dat sof-huis,’ zegt Leen. ‘Die hebben ze voor een halfjaar te pakken, juist de dag voor ik zo plotseling ben weggelopen.’ Wat nu volgde vond ik heel vreemd. Piet zei telkens: ‘Godzamme,’ niets anders, en de anderen beklaagden me met zulk een hartstocht en onzelfzuchtigheid dat ik eindelijk een beetje ging huilen. ‘Oggod, nou ken je je zomerreisie niet doen,’ huilde Leen onmiddellijk mee, Annie viel me van puur medelijden om de hals, Karei, die wel eens meehelpt, staarde voor zich uit of hij een vreselijk visioen zag en stootte dan uit: ‘Daar mosten ze de bajes voor in,’ en andere vaag-sombere verwensingen, gekruid door ontelbare ‘Godzammes’ van Piet. Niemand dacht eraan dat zij zelf dat geld goed hadden kunnen gebruiken, althans een tijdlang redding uit een misère, waar ze nooit helemaal uit zullen komen.
‘Afijn,’ zei Leen, ‘nou komt de zomer, en als je nou boven op je daktuin gaat kijken, staan die paarse blomme al bij het goudvissenwatertje.’ En weer gingen we in een lange optocht het huis door, naar boven, over de zolder met de vreemde vlekken. Dan stonden we werkelijk bij de blauwe irissen en de oneindigheid van de blauwe lucht boven ons - de hemel leek hier dichterbij - en zo ver je kijken kon wolken en water en bruggen en boten, in de verte de grote oceaanschepen, dichterbij snelle motorboten en trage zolderschuiten, die nog op oeroude manier door bomen werden voortbewogen; de roep der wiekende,
195