eindeloos formulier van de keukendienst, het keuken-ritueel, waarin alles zijn vaste plaats heeft. Duidelijk voel ik de oude sleutel in mijn tas en hij brengt me tot het besluit: ik kom niet terug, ik loop weg, ik ga er bij mezelf vandoor. Het is me onmogelijk een doelloze strijd aan te gaan tegen voortdurende aanwezigheid, beperktheid van ziel en een keukencomplex. Overigens verveelt me nu al de deftigheid van de voorname woonwijk; denkelijk hoort men er nimmer een storm loeien; er zijn ook geen schepen onder zware grijze wolkenluchten.
Op en tegen de stoep staan de spiritusdrinkers - het komt me voor of ik jaren weg geweest ben. Ze gaan op hun schuwe, norse manier wat opzij - de spiritusdrinkers -ik heb hen nooit gegroet vroeger en zij staarden in het luchtledige, wanneer ik langs ze heen ging. Maar dat kan ook anders - niet altijd staren de spiritusdrinkers in het luchtledige. Je hoeft maar ‘goeiendag’ te zeggen en je bent plotseling in een gesprek betrokken waar de hartelijkheid en bereidwilligheid en mededeelzaamheid in stukken van afvliegen en de ogen keren van hun doelloze reis in het luchtledige terug naar iets waar toch nog een beetje zin in zit. ‘We keken maar weg, zie je, omdat we dochten dat je ons liever niet op de stoep zag,’ verontschuldigden ze zich. Ze hebben betere manieren dan de dame uit het deftige huis - ze ruiken naar terpentijn en een kruiig soort sigaretten of tabak - helemaal niet naar. En ze delen me in vertrouwen mee dat ze oorspronkelijk allemaal liever ‘iets gewoons’ dronken, maar dat werd te duur - alles van dat beetje steun - en ‘een mens mot toch
191