langs de ramen dan tegen de vensters van dit huis.
Ik wil weg - ik wil het gemakkelijk en rustig en comfortabel hebben. Het loopt naar april, het wemelt van tentoonstellingen in de stad en van nieuwe mode en van verrukkelijke taartjeswinkels.
De trams van deze buurt zitten opgepropt vol menselijke ellende: zere ogen en zere hoofden met ontzettende verbanden erom en wanneer je buiten op het balkon staat, hebben de passagiers vieze lompenpakken bij zich die ze voor je benen zetten - de hemel mag weten wat er in die pakken zit, zo vlak tegen je benen aan. En het is een hel om in het spitsuur te verzeilen - er zijn geen verkeersagenten hier, ze zouden denkelijk omvergelopen of -gereden of -getrapt worden. Je probeert het langs het water, maar honderden ateliermeiden in witte regenjassen (altijd hebben ze van die witte regenjassen aan) hollen als een soort van sprinkhanen van alle kanten op je af, schreeuwende, blèrende, losgelaten sprinkhanen. Er gaat ook nog een tram langs de kade en vrachtwagens als voorwereldlijke sauriërs, om van de gewone auto’s niet te spreken. Maar eigenlijk zijn de fietsen met de meiden en jongens het ergst. Er is haast geen trottoir en wat kan je doen tegen het soort kanjers van meiden en jongens die je omverlopen. Ze vinden dat je er niet hoort en ze zeggen het ook.
Tijdens een dezer voorj aars-inzetten ben je ertussenuit gegaan - hoe elegant en licht bewoog hetzelfde soort mensen zich over de Seinebruggen, ook op de spitsuren, ook van ateliers en fabrieken komend. En al waren ze op
180