blieft,’ voegde hij er als een soort uitnodiging aan toe.
‘Ik had graag vrouw en kinderen gehad, meneer,’ de Groningse heer zei het met plechtige en even trillende stem. ‘Het leven zou er dan heel wat mooier en gelukkiger voor me uitgezien hebben - heel wat prettiger en gezelliger. Mijn verloofde is jong gestorven.’ Laten ze nu hierover hun mond houden, bad ik de hemel en alles wat ervoor in aanmerking komt om kletsende, harde ik-men-sen te doen zwijgen over iets dat kwetsbaar en broos is. Gelukkig nam de oorontsteking het thema: lang in bed liggen en niks te doen hebben, maar zonder pijn dan, weer op. En een beetje hengelen wilde hij er dan nog bij, - eigenlijk was hij niet zo heel erg. ‘Lekker in ’t zonnetje zitten en aan niks denken en je pakje boterhammen mee en de tijd is om voor je ’t weet,’ hij werd bijna opgewekt bij de voorstelling van deze eenvoudige geneugten.
Er viel een pauze. Stil vervolgde elk zijn eigen gedachtenreeksen. Alleen het onverbiddelijk en onverschillig trein-ritme was hoorbaar.
‘Alles op zijn tijd,’ mediteerde de middelmatige knopen-branche hardop verder - zijn zelfingenomen toon werd onuitstaanbaar -, ‘je natje en je droogje, op tijd op, op tijd naar bed, op tijd je zaken doen, op tijd je verzetje, alles op zijn tijd, een mens moet altijd aan zijn tijd denken, time is money,’ besloot hij zijn vulgaire levenswijsheid.
‘Op tijd stikken,’ wenste de oorontsteking met weinig variatie in zijn vocabulaire, doch des te grimmiger, de volkomen aan de maatschappij aangepaste, die hem zo
177