migen zwoeren met van afgrijzen vertrokken gezichten, dat er bij hen nooit margarine in huis en ‘over tafel’ was gekomen en ook nooit komen zou, al zou het ze nog slechter gaan dan nu reeds het geval was, en ik kreeg het gevoel of margarine iets onzedelijks en misdadigs was, iets waar gevangenisstraf op moest staan; hoewel ik er zelf gebruik van maakte zou ik dit vernederende feit nu voor nog zoveel niet toegegeven hebben. Ik voelde alleen weer het lastige schaamrood op mijn kaken (als manifestatie van mijn margarine-complex) en ik begon een beetje hekel te krijgen aan al die mensen die me zo aan het kleuren maakten.
En ik zag, dat er in de wereld der hospita’s niets veranderd was op het gebied van kleingeestige willekeur, varkensgehakt, runderlapjes, minderwaardigheidscomplexen en natte rijst met bessesap: ‘Altijd soep vooraf öf een toetje na, hè, een griesmeelpuddinkje of een rijst-schoteltje met bessesap.’ Kortom, de middag was een bont tafereel van Jeroen Bosch-achtige verschrikkingen in een hospita’s-hel. Evenals vroeger waren ze nog steeds op de zonderlingste dingen trots: een zoon die voor zijn middelbaar-Engels ‘zat’, een dochter die met een kandidaat in de godgeleerdheid verloofd was, een reeds lang overleden echtgenoot die een nieuwe winkelkassa had uitgevonden en een patent erop had gekregen en een baron die zeven jaar dezelfde kamer had gehad - ‘altijd even tevreden’. En evenals vroeger schaamden ze zich voor dingen die mij noch met eer noch met eerloosheid -overigens zeer willekeurige, relatieve en meest valse be
152