boze oog geloven) kreeg ik een hevige griep. Was het de koorts of hoorde ik haar stem achter een kier van de deur sissen: ‘Maak dat je wegkomt, ik kan hier geen zieken gebruiken.’
Het schijnt dat men met een minimum aan eten en verpleging en een maximum aan vurige wensen om ervandoor te gaan in een minimum van tijd over een tamelijk ernstige griep heenkomt.
Ik had mijn boeltje met enige moeite gepakt en keek voor de laatste maal naar de overkant, naar de stille oude kerk, het donkergroene grachtwater, de ronde brug en het mannetje dat de karren hielp opsjouwen, toen ik ineens een soort duivelse lach hoorde. De juffrouw had zich bliksemvlug in mijn Britsindisch divankleed gehuld en leek zó op een boos, ontzettend afgodsbeeld van Neu-Mecklenburg, dat ik van schrik geen woord kon uitbrengen.
Met dat gloeiend-oranjekleurige divankleed om verdween ze plotseling ergens in een spleet of in het Niets. Nooit heb ik haar teruggezien.
En eigenlijk vond ik het niet meer dan billijk, dat ze althans indirect nog iets van Addie terugkreeg, al was het dan ook geen man, die haar uit het donker had kunnen halen, om haar in dat schitterende licht te laten paraderen, waar mevrouwen in ruime rijke huizen tronen met ‘booien en duur, deftig meubilair’. Ik hoorde weer de troosteloze woede van haar oordeel over dat hele leven in haat en ressentiment doorgebracht: ‘Al die jaren tegenover die rottige ouwe kerk! ’
145