KLEINE AFSTAND AANBEVOLEN
Het is beter ‘mijnheer’ en ‘mevrouw’ tegen zijn kennissen te blijven zeggen, dan Wim en Dien. Met Wim en Dien sta je op reuze goede voet, vraagt elkaar op het eten dat over en weer maar matig geapprecieerd wordt, spreekt men kwaad ook over elkaar onwillekeurig -achter de rug bedoel ik natuurlijk -, doet men het ergste van alles: bekentenissen. Wim en Dien doen bekentenissen en ik doe bekentenissen; de gevaarlijkste, lastigste en onomwondenste doe ik natuurlijk; Wim en Dien weten precies waar ze op moeten houden.
Iemand, die het werkelijk goed met me meent en dus ook geen kennis van me is, heeft me reeds dikwijls gewaarschuwd of me met een veelzeggende blik nog net bijtijds het zwijgen opgelegd. Met die iemand kan ik gelukkig over alles spreken - over de middelmatige dingen van het leven, over de allereerste en onvergetelijkste, over de grauwe wolken boven een grijs water, over ‘A fare-well to arms’, de ‘Radetzkymars’ van Roth en de boeken van Conrad - en over de laatste dingen kan ik met die iemand spreken. Zelden spreken we samen over andere mensen; ik geloof dat die iemand de mensen als vage spookverschijningen ziet, waar ze nu de laatste tijd veelal een radio in gestopt hebben - en dat is hinderlijk, ik geef het toe - spookverschijningen met een radio erin.
135