mos. Verhuizingen zijn eigenlijk iets verschrikkelijks. Er worden onmogelijke dingen van je geëist op het gebied van orde en stipte zakelijkheid te midden van de volslagen chaos - en er doemen ongelukkige herinneringen op bij het terugvinden van oude medicijndoosjes met naam en adres van de patiënt in schoonschrift erop en de patiënt is al dood.
In elke ontzettende salon met pendule en coupes, bij elke vervelende gelegenheidsvisite uit mijn kinderjaren schijnt dat kleed tegenwoordig geweest te zijn. Het ruikt muf als de salons en het ademt verveling uit als de verloren men, die je onder schel bloot lamplicht over je heen moest laten gaan. Heb ik niet eens in lang vervlogen jaren een glas limonade laten vallen op dat beige ongelukskleed -de kinderen lachten me uit - er kwam een donkerrode glimmende vlek, die als door hekserij tot in het afgrijselijke groter bleef worden en de meneer en mevrouw van het verjaarspartijtje keken me kil aan. En er werd met azijn en warm water gewerkt of hun leven van dat beroerde kleed afhing. Neen, er is geen rode vlek die als bloed in mijn herinnering nabrandt, op dit kleed te zien. Nachtmerrie-karpetten en oude medicijndoosjes, zou je die bij elke verhuizing terug moeten vinden?
Ik heb nooit goed geweten wat een ziekenzaal met dertig bedden is. Maar nu is dat oude zielige medicijndoosje te voorschijn gekomen en we spreken over ziekte, dood en sterven, de werkvrouw en ik: ‘Grote God, het sterreve en je heb geen cente voor een speciaal of ’n prefesser of ’n sannetorium in de berrege. En gille en schreeuwe en der
124