eetlust benam. In die keuken — een grote, lage, donkere souterrain-keuken - scheen niet gekookt te mogen worden, althans niet door mij. De kunstzinnige Mevrouw die vroeger rijk geweest was, zat toch niet zo helemaal boven in de nok van het huis als ik naïef gedacht had. Ze zat overal; als men een zo deftig iemand een kobold mag noemen, zou ik deze aanduiding op haar moeten toepassen. De eerwaardige oude heer had zich volkomen aan de afspraak gehouden - hij scheen inderdaad in de nok van het huis te zitten, waar hij denkelijk schone voorwerpen tegen zijn arme oude hart drukte — hem heb ik niet meer teruggezien. Des temeer de mevrouw, met wie ik de keuken en een ouderwets soort dienstbode moest delen; zij was aanwezig van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Ze liet me albums zien met portretten van haar zelf ’als jongmeisje’, van ooms en tantes, neven en nichten, oma’s en opa’s en dames en heren, waar ze als kort signalement even bijvoegde: ’Dat is een baronesje; de freuletjes F.; baronnetje van L. tot L.’ [ze gebruikte veel liefkozende verkleinwoorden]. De donkere deftige keuken had ze prachtig versierd met antieke borden en bouquetten peterselie en door haar zelf beschilderde appelstroopblikken. Ze leefde hoofdzakelijk van waterige soepen, waterige groenten, blikken pilchards, Portugese sardientjes, en chocolades trooisel. Een keer mocht ik een spiegelei bakken, maar toen heb ik een pan op haar ’zeiltje’ gezet, een feit dat haar hevig opwond en ik kreeg zo vaak het woord ’kring’ te horen, dat ik tenslotte een van die moderne films meende te zien, waar men zich in ’t geheel niets bij denken moet - aldoor kringen die op je toekomen en van je weggaan; ik begin dat soort films eindelijk te begrijpen. Iedereen was goed gekleed daar in die buurt, niemand schreeuwde of tierde, zelfs de loopjongens waren kalmer en de auto’s gleden voornaam en geruisloos voorbij. Het huis zat vol Lipssloten, waar ik niet mee om kon gaan en mezelf mee opsloot en onwillekeurig voelde ik dan naar de