terd - ze is 53 jaar oud en al haar bezittingen heeft ze bij zich - dat kind [een al te schriel nakomertje], een vooroorlogse mof van ruime afmeting doch zonder noemenswaard bont er op, en haar dikte. Die dikte beschouwt ze - dwars tegen de tijdgeest in - als een soort onvervreemdbaar kapitaal: ’Mijn vet is m’n alles - daar teer ik op, dat kon die Ouwe me tenminste niet afnemen,’ zegt ze met opgewekte en grimmige trots. En ze laat in het midden, op welke geheimzinnige schatten haar rampzalige Ouwe het dan wel had voorzien — want aan die poging tot moord geloof ik niet zo erg. Eigenlijk behoort er op die leeftijd een zekere moed toe, zo’n Ouwe, wat meubels en het dak boven je hoofd met de beschuttende wanden van een warme kamer in de steek te laten - al zijn die Ouwe en de meubels gammel en wormstekig en het dak met de wanden van de huisbaas. Bovendien nog een dak en wanden in Zandvoort. Daar in Zandvoort zijn de ruzies te duidelijk en fel omlijnd geworden — en de vlekken en het vuil. Van alle dingen werden de contouren te zichtbaar. Om elke ruzie kwam een contour, om elke vlek op tafelkleed en karpet, om elke tegenslag en gebroken stoelepoot. Het oude, wat naar voren gezakte grachtenhuis in Amsterdam had erbarmen gehad en gesust en al de ruzies, de vlekken en de scherven vlug opgeslorpt. Het had veel donkere plekken en schaduwen en op elke donkere plek had het vlug een ruzie geborgen en in elke schaduw een vlek of een gebroken ding neergelegd — dan zag je er zoveel niet meer van. In Zandvoort zijn zelfs de schaduwen duidelijk en licht, en de huizen zijn er zo zindelijk en onvriendelijk voor iemand, die een beetje erg slordig en helemaal niet helder is - deze familiepensions met het uitzicht op de zee hier en daar. En op elke vlek en ruzie vestigen zij pedant en onverbiddelijk de aandacht: ’Dacht je op die manier badgasten a ƒ 3.50 per dag [kinderen reductie] te krijgen en te houden? Schaam je, mevrouw Davis.’