de wieg gelegd waren. Na een uitvoerige geëxalteerde beschrijving van afkomst, exclusiviteit en zelfs enkele stambomen der mede-guests, waar men niet alleen ’s ochtends reeds te 8 ure, doch ook, indien mogelijk, gedurende de lunch, en [als regel verplicht] tijdens het dinner, precies om 6.15 mee samen geketend zou worden, volgde een vermoeiend lang essay over voornaamheid en rang der straat, dat zijn climax bereikte in de vraag: 5U kent toch zeker de Carlevliets?’ De dame wees met een languissant gebaar naar een beige huis met veel balcons en een laag wit hek, waar een dunne boom en een lange beige auto voor stonden.
Gelukkig kon ik mij verontschuldigen de Garlevliets niet te kennen, omdat ik uit een andere stad kwam — want de Carlevliets niet te kennen scheen iets vernederends en onbehoorlijks te zijn. Waar een Carlevliet woonde, daar was standing en cachet en een soort fluïdum, dat de hele omgeving in voornaamheid dompelde. In de omgeving der Carlevliets werden geen pensions met commensaals geduld, doch alleen, als grote uitzondering, homes met parketvloeren voor paying guests, geleid door een weduwe van een ex-ritmeester der blauwe huzaren.
Schuin boven het huis van de Carlevliets had de zon nog een beetje goud en rosé en violet in een wolk achtergelaten, nonchalant als de zon nu eenmaal is — eigenlijk behoorde in een Garlevlietse omgeving alles netjes bijtijds opgeruimd te zijn. Maar ik moest vlug in de vrije lucht zijn, vlug nog dat beetje rosse goud op vangen, om niet te huilen en niet te vloeken. Het viel nog net even op het gezicht van de ex-ritmeesters-weduwe, dat late licht, en het maakte alles duidelijk, onbarmhartig en gelaten, zoals alle dingen van de natuur: Verheelde teleurstellingen, het ontvangen van gasten eens in een salon, thans echter in het Engels en van het epitheton [non] ornans paying voorzien, kleine eerbewijzen eens, kleine eer-onthoudin-gen thans, het huwelijk met iemand voorbestemd tot rang-