Hoe groot was mijn verrassing dus een bejaarde vrouw aan te treffen, waar iets theosophisch van uitging en die geen onkiese vragen deed naar stand, geloof, echtelijke staat, beroep of politieke richting der huurders. Ze stootte niet onverwachts een blikken lach uit, noch deed ze huilerige verhalen zonder draad - haar gezicht was niet tot een grimas vertrokken, die naar verkiezing tot alles vervormd kan worden op het gebied der menselijke gevoelens. Het was een rustige vrouw op leeftijd. De katten waren van een uitgezóchte schoonheid en lieflijkheid — één rosse en twee witte - en met het lichte gerinkel van de belletjes ging er van dat alles: de vrouw, de katten en het lichte fijne geluid als van kleine klokjes, iets zo zachts en beko-rends uit als een oud Russisch sprookje.
De andere hospita’s waren allen de personificatie der zoeven genoemde nachtmerries geweest, met fikse harde luide roodwangige kinderen, enkelen waren vette weduwen, anderen waren nog in ’t bezit van echtgenoten: grote, geduchte vrouwen met kleine bange mannen wisselden af met kleine magere feeksen voorzien van grote goedige reuzen — twee categorieën van pantoffelhelden; enkelen - de minderheid - bezaten zelfs echtgenoten die ’t voor hun vrouwen zouden opnemen, ook als ’t helemaal niet nodig was. Hospita’s waren het, die reeds bij hun geboorte voorbeschikt waren op dit ondermaanse hospita’s en niets anders te worden - met ontstellende mededelingen over opstaan en naar bed gaan en gezamenlijke noen- en avondmalen, huiselijk verkeer en gezelligheid genoemd.
Er waren dames bij, die met grimmige nadruk vertelden er vroeger niet aan gedacht te hebben maatschappelijk ooit zo laag te zinken - en ik maakte mijn excuses over iets dat ik zelf niet wist en kreeg kleur op kleur. Sommigen zwoeren met van afgrijzen vertrokken gezichten, dat er bij hen nooit margarine in huis en ’over tafel’ was gekomen en ook nooit komen zou, al zou het ze nóg slechter gaan dan nu reeds het geval was, — en ik kreeg het gevoel of