Dat was dan ook het enige, wat ze nog wilden doen: die klok kopen, omdat het een familiestuk was. Met het overnemen van die klok hadden ze dan aan hun familie-plicht voldaan — daarna kon ik van honger omkomen of in het water springen - zij wasten hun handen in onschuld, de familie van Schoonzicht, zij hadden het hunne gedaan. Ze deden al aan Liefdadigheid naar Vermogen en het Leger des Heils, ook een beetje aan de Joodsche Invalide om een kans nog een Schoonzicht erbij te krijgen - aan mij ’deden’ ze niets verder dan de klok.
Ik had iets heel ergs gedaan, iets onvergefelijks — zowat even erg als inbraak met roof en valsheid in geschrifte: ik had mijn geld met de grootst mogelijke haast en met veel pleizier ’opgemaakt’. Met veel pleizier — dat was het allerergste. Ik had voor mijn geld lang ziek mogen zijn, operaties er mee mogen bekostigen en een dure begrafenis. Dan pinken familie en bekenden een traan uit hun kennissenogen en zeggen iets begrafenisachtigs; en ergens zijn ze natuurlijk dolblij er zelf nog bij te mogen zijn [ik bedoel bij het leven]. Maar je hebt kleine en grotere zilverschijfjes gehad en beduimelde papiertjes, waar getallen op stonden. Voor schijfjes en papiertjes was veel te krijgen: reizen, Breitners, vriendelijke gezichten, Qiva statuetten en opvallend veel goede kennissen. Ze vonden het prettig en gezellig van me, die goede kennissen, dat ik zo nonchalant met schijfjes en papiertjes omging. En nu vinden ze ineens, dat ik er niet goed mee omgegaan ben; ik had ze moeten opsparen, zeggen ze, en beleggen of zo iets - en ze zijn geen goede kennissen meer. En de familie op Schoonzicht vindt dit geen tijden, om zo met je geld om te springen. Ik vond het juist de tijd ervoor. Men heeft mosterdgas uitgevonden en bommen, die door alles heen gaan — ik heb het vaak op de film gezien. Zo ver moet je niet den-