spoedig weer hersteld was.
Evenwel, niet alles is eeuwigdurend en zoo kwam ook de tijd aan, dat onze vriend Coetinje genoeg kreeg van zijn drogerijen en booze-oog-bezweringen en het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
Zijn erfgenamen verkochten den voorraad win-kelgoederen, mitsgaders zijn geleerde, mystieke boeken en de kelder-winkel kwam vrij.
Dit geschiedde in den tijd, dat langzaam-aan de beschaving ook tot Amsterdam begon door te dringen en in het winkeltje vestigde zich thans een drukker-boekhandelaar, Coster geheeten, een oolijke kwant uit het hooge Noorden, die er te werken begon, geassisteerd door enkele leerjongens. De zaak marcheerde best. Op een goeden middag — het was druk en de baas was juist bezig zijn instructies te geven voor het zetten van een vrij ingewikkeld goeppah-biljet — ging het verraderlijk-klingelend winkelbelletje, ten teeken, dat een cliënt was binnengetreden.
De drukker liet zijn leerjongens en het goeppah-biljet-probleem in den steek en toog naar vóór om den wensch van den pas-aangekomene te vernemen.
Hij vond daar een ingehouden-snikkend, angstig de handen wringende, zóó met een doek om en
143