in het gelaat der moeders, wier harten braken van mateloos wee.
Vervloekend de schittering van het koningschap, dat hen tot zoo zware misdaad dwong, hadden zij de knapen in den stroom geworpen en waren weenend huiswaarts gekeerd, rillend en koortsachtig bevend bij de herinnering aan hun daad. Het land Gosen, eens heerlijk bloeiend, mild gezegend, was geworden tot een oord, waarop een ontstellende vloek geworpen was.
In ieder huis klonk smartelijk geween. De hoop der ouders was beestachtig vernietigd. Maar niemand, die zich te verzetten dorst. Want wat zou het baten?
De avond was gedaald. . ..
Een raadselachtige duisternis had zich gespreid tusschen de takken der boomen. De stilte des doods huiverde langs de paden.. .. Slechts aan den oever van den stroom, waar het riet stond, klonk een zacht geruisch, als bespraken de waterplanten met de struiken, die langs de rivier groeiden, schuw, het eindelooze verdriet der Joodsche moeders.
Het water deinde, rhytmisch golvend, verder. De Nijl lag daar als een weerzinwekkende hel, waarin men de jonge knapen met ruwe hand
128