EGYPTE GEVONNIST
Een fantasie
Voor Mevrouw E. de Boer-van Rijk
Zwaarmoedig daalde de avond over het land Gosen. Als een ontzaglijke bloedbal hing de maan in den met sterren bezaaiden, wijden, donkeren hemel. Die dag was een dag geweest van wee. De dood was neergedwarreld in de beste huizen en had, op bevel van een wereldschen heerscher, den bar-wreeden, brandend-hatenden Pharao, zich meester gemaakt van het teederste bezit: de pasgeboren knapen.
Want zóó had het bevel van den beangsten ko-ning geluid: „Géén knaap, geboren uit eene Joodsche moeder zult gij in leven laten, opdat er geen opstandige uit haar geboren worde, die mij mijn macht, mijn koningskroon, ontnemen kan. In het snel-vlietende water van den Nijl zult gij ze werpen: géén zult gij sparen.”
En zij waren gekomen, de beulen, wien het bevel gegeven was, snikkend en sidderend, tot aan de wiegen der knapen. Beseffend, meer dan ooit, de gruwelen van hun ambt, hadden zij de kinderen medegenomen en geen, die dorst blikken
127