die er onmiddellijk op volgen, eene korte, doch schoone inleiding tot שמע. »Wat zijn wij, wat ons leven?” enz. — ״weinig meer dan het redeloos gedierte”; immers ״al het aardsche is ijdel!” (כי הלל הבל). Wat aan ons leven beteekenis schenkt, is de hooge taak van de erkenning Gods, waartoe wij uitver-koren zijn (אבל אנחנו עמך) als kinderen onzer beroemde voorvaderen (בני אברהם enz.). Deze taak
TT:־• ־ :
legt ons ook den plicht op (לפיכך אנחנו חיבים), om voortdurend God te danken en te huldigen, en schenkt ons het kostelijke voorrecht (י(מה ט1ב חלקנו om twéémalen iederen dag, 's morgens en 's avonds de éénheid Gods te belijden in het שמע, dat thans volgt.
8. Er waren ongelukkige tijden, waarin onze voorouders op straffe des doods het ])שט niet luide mochten verkondigen. Toen moest het in anestige spanning in het geheim geschieden. Thans mogen wij Gode danken, Die de tijden deed veranderen, zoodat wij Zijnen naam openlijk en zonder schroom he ïigen (מקדש את שמך ברבים).
9. Met de plechtige bede !אתה הוא)> dat eenmaal
T “
de tijd aanbreke, waarop de ballingschap eindige en de erkenning des eenigen Gods onder het mensch-dom algemeen zij, eindigen de ברכ1ת השחר.
10. לעולם ישלש אדם שנותיו שליש במקראTl : * : •: T : TT *־ - ï T t
״ .שליש במשנה ׳שליש בתלמודIn drie gedeelten gescheiden, worde dagelijks onze beschikbare tijd be-