Joodse godsdienstleer voor de jeugd

Titel
Joodse godsdienstleer voor de jeugd

Jaar
1969

Pagina's
220



7

II.

HEIDENSCHE ZEDEN EN BEGRIPPEN (חק1ת ד!13ים).

Toen het geloof in den eenigen God aan onze voorouders geopenbaard werd, ontvingen zij onmid-dellijk daarnaast de heilige taak, om alle sporen van het heidendom te bestrijden en uit te roeien. Geen wonder dus, dat ons niet alleen de werkelijke afgodendienst, maar ook alle zeden en gedragingen, die tot het heidendom behoorden, of slechts daaraan herinneren, als onjoodsch verboden zijn.

Zoo mogen wij ook zonder bedoeling van aanbid• ding of vereering geen menschelijk beeld in uitge-houwen of opgelegden arbeid (]צורה ביילטר־) ver-

V tV    T

vaardigen.

Alle bijgeloof, dat wil zeggen: alle erkenning van andere geheime krachten en invloeden in de natuur dan de goddelijke Voorzienigheid, vindt zijnen oor-sprong in het heidendom. Van Israël, het volk, dat den Eeuwige als eenigen God erkent en vereert, luidt het duidelijk ״Voorwaar, geene voorbeduiding geldt onder Jacob, geen tooverij onder Israël 1״ Aan waarzeggerij, tooverij, voorbeduiding, gunstige of ongunstige tijden, slangenbezweren, het raadplegen van dooden enz. mag een Israëliet geene waarde hechten. ״Volkomen zult gij zijn met den Eeuwige, uwen God !״

Het is aan mannelijke Israëlieten verboden, de hoeken van het hoofdhaar zóó te verwijdered, dat

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.