vervolgens met de berekening van het zonnejaar zooveel mogelijk in overeenstemming gebracht.
Onder een maand verstaat men den omlooptijd van de maan om de aarde. Deze bedraagt 29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 3 seconden. Het tijdstip, waarop de maan haren rechtlijnigen stand tusschen de aarde en de zon verlaat en weder hare verlichte zijde naar de aarde wendt, heet מו^ד (tijd der wedergeboorte).
Daar de maanden echter naar geheele dagen behooren geteld te worden, zoo worden, in verband met de bepaling der feesten, de uren. minuten en seconden boven de 29 dagtn, telkens op bepaalde tijden tot dagen vereenigd, waaruit de volgende regeling ontstaat:
Alle maanden, behalve מרחשון en כסלו, hebben afwisse-lend 30 of 29 dagen, als: 29 אייר ,30 ניק enz.
De maanden מרחשון en כסלו hebben nu eens beide 29 da-gen (een onvolledig jaar, חסרה), dan weder de eerste 29 en de tweede 30 (een regelmatig jaar, כסדרה), en een ander-maal beide 30 dagen (een overvolledig jaar, זלמה^)• Zoo heeft dus een gewoon jaar 353. 354 of 355 dagen.
Om echter de viering der fees'en naar den geest der Thora te doen geschieden, en wel: Pésach כחדש האביב en Sukkolh als חג האסיף, zoo moet het verschil van het zonne-jaar, dat 363 dagen telt, met het maanjaar (een verschil van bijna 11 dagen) op eenige wijze vereffend worden. Daartoe wordt 7 malen in de 19 jaren bij de 12 maanden van het jaar nog een 13' (אדר ב׳) gevoegd, en wel in de jaren 3,6, 8, 11, 14, 17 en 19. Zulk een jiar noemt men een schrikkeljaar (שנה מעוכרת) en, in tegenstelling daarvan, elk ander jaar gewoon jaar (שנח פשוטה). In een schrikkeljaar heeft